Dewan Wijk Maluku Breda
Molukse Belangenorganisatie
Wijkraad
Nieuws
Mededelingen
Activiteiten
Achtergronden
Wijkontwikkeling
Opinie
Foto's
Historie
Pela
Religie
Links
Historie
  •  Specerijenhandel
De Molukken waren in Azië bekend als het gebied waar bijzondere specerijen zoals kruidnagel en nootmuskaat vandaan kwamen. De handel vanuit deze eilanden waren eerst in handen van de Spanjaarden en Portugezen en vanaf de 17e eeuw werden de Molukse eilanden onder Nederlands gezag gebracht. Met ingang van 1864 werd het aloude specerijenmonopolie in de Molukken doorbroken: handelaren hadden kruidnagel- en nootmuskaatplanten naar het Caraïbisch gebied gesmokkeld. Toen daar de specerijenproductie eenmaal op gang kwam, kelderden de wereldprijzen. In de Molukken ontstond armoede en gebrek aan werk. Onder die omstandigheden boekte de koloniale overheid voor het eerst succes bij haar pogingen om Molukkers op ruime schaal te werven als ambtenaar, onderwijzer, hulpprediker - en vooral: als militair. Er ontstond gaandeweg zelfs een 'militaire traditie'. Molukkers namen van vader op zoon dienst in het Koninklijke Nederlands-Indische Leger (het KNIL). Door hun loyaliteit en inzet verwierven zij als soldaat een positief imago: niet alleen bij de koloniale overheid, maar ook bij de eigen Molukse gemeenschap. In de jaren 1920, begon in het nationalisme op te komen. De door het koloniale gezag ingezette modernisering wekte bij vele Indonesiërs ook de behoefte aan een eigen staat.
 
  • Tweede Wereldoorlog
Op 7 december 1941 vernietigde Japan bij een luchtaanval op Pearl Harbour een groot deel van de Amerikaanse vloot in de Stille Oceaan. Deze verrassingsaanval was het begin van de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Oost-Azië. Een dag later verklaarde de Nederlandse regering in ballingschap in Engeland aan Japan de oorlog. In de daarop volgende weken gebeurde er in Nederlands-Indië nog niet veel. Japan had het aanvankelijk nog te druk met de verovering van andere gebieden. Maar op 10 januari 1942 was het zover: Japanse leger- en vlooteenheden zetten een massale aanval in. De strijd zou bijna twee maanden duren. De overmacht was te sterk. Het Japanse leger was beter getraind en toegerust dan het KNIL. Ook de Koninklijke Marine en de jonge luchtmachtafdeling van het KNIL waren niet tegen de vijand opgewassen. Op 8 maart 1942 capituleerde het KNIL en werd geheel Nederlands-Indië door Japanse troepen bezet. Onder het motto 'Azië voor de Aziaten' probeerden de Japanse bezettingsautoriteiten de bevolking van Indië voor zich te winnen. Nederlanders werden bijna geheel uit het openbare leven verwijderd. Ze kwamen in interneringskampen  terecht, waarbij de mannen gescheiden werden van vrouwen en kinderen. Nationalisten die tot de Indonesische bovenlaag behoorden, onder leiding van ir. Soekarno, kregen de gelegenheid om de rol van de Nederlanders in het bestuur over te nemen. Maar de uiteindelijke macht bleef in handen van de Japanners.
 
Naast de Nederlanders hadden ook veel voornamelijk christelijke Molukkers het moeilijk. Ze waren in de ogen van de Japanners een gevaar voor hun nieuwe orde, vanwege hun trouw aan het Nederlandse gezag. Een aantal Molukse militairen kwam daarom ook in interneringskampen terecht. Er waren ook Molukkers die een actieve rol speelden in het verzet tegen de Japanners. Velen vielen in handen van de Kenpeitai (de Japanse geheime politie) en werden gemarteld of gedood. In de loop van 1944 werd duidelijk dat Japan de oorlog zou verliezen. De Indonesische nationalisten wilden Indonesië onafhankelijk verklaren voor Nederland de kans zou krijgen het koloniale systeem te herstellen. Toen het Japanse keizerrijk na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki onverwacht snel capituleerde, riepen de nationalistische voorlieden Soekarno en Hatta vrijwel direct de onafhankelijkheid uit. Op 17 augustus 1945 werd de Republik Indonesia geproclameerd. Het was een eigenaardige bevrijding in Indonesië, omdat onmiddellijk weer een nieuwe oorlog begon: de strijd tussen Nederland en de Republik Indonesia. Het was een chaotische tijd, want er was nauwelijks meer sprake van een centraal gezag. Allerlei gewapende groepen trokken door het land. Mensen die nog in de Japanse interneringskampen zaten, moesten worden beschermd tegen jongeren die in naam van de RI de kampen aanvielen. Molukse militairen namen spontaan de verdediging van die kampen op zich.  
 
  • Politionele Acties
Nederland probeerde in 1945 zo snel mogelijk weer vaste voet te krijgen in Indonesië. In het oosten - waaronder de Molukken - lukte dat redelijk. Maar er waren ook gebieden waar de Republik Indonesia (RI) de baas bleef. De kans om de macht van de RI te beteugelen kreeg de Nederlandse regering pas toen na verloop van tijd Nederlandse troepen het geallieerde leger in Indië aflosten. Voor het herstel van het Nederlandse gezag werd het KNIL ingezet. Tussen 1945 en 1949 heeft Nederland twee grote militaire offensieven tegen de RI uitgevoerd. Om niet te worden beticht van het voeren van een koloniale oorlog, werden deze offensieven versluierend 'politionele acties' genoemd. De eerste politionele actie duurde van 21 juli tot 5 augustus 1947. De tweede actie begon op 19 december 1948 en eindigde op 5 januari 1949. Ondanks militaire successen moest Nederland toch op korte termijn een onafhankelijk Indonesië accepteren. Internationaal was er weinig sympathie voor herstel van koloniale verhoudingen. Dat gold niet alleen voor veel nieuwe staten in de Derde Wereld, maar ook voor landen als Australië en de Verenigde Staten. Men vond dat in de naoorlogse wereldorde het ene volk het andere niet diende te overheersen. Met name de Verenigde Staten oefenden sterke druk uit op Nederland om met de Indonesische leiders te onderhandelen. Nederland zwichtte toen de Amerikanen dreigden hun financiële steun (Marshallhulp) voor de wederopbouw van Nederland in te trekken. Onder die druk droeg Nederland op 29 december 1949, na een Rondetafelconferentie in Den Haag met Indonesische vertegenwoordigers, de soevereiniteit over aan Indonesië. Veel Nederlanders vreesden in het nieuwe Indonesië niet veilig te kunnen zijn. Dat gevoel hadden ook veel Molukse militairen.
 
  • Republik Indonesia Serikat 
In de eerste maanden van 1950 werd duidelijk dat de Verenigde Staten van Indonesië (Republik Indonesia Serikat: RIS) in snel tempo verdampten. De RIS als federatie bestond behalve uit de Republik Indonesia (RI) nog slechts uit de deelstaat Oost-Indonesië (NIT), waartoe ook de Molukken behoorden. Een aantal politici van de NIT vreesde overheersing van hun gebied door het centrale gezag in Jakarta. Daaronder waren ook de Molukse politici Soumokil, Manusama en Metekohy. Het waren vooral christelijke politici, die bovendien beducht waren voor de islamitische meerderheid in de rest van Indonesië. Zij wilden de deelstaat dan ook per se in stand houden. Om dat te garanderen, wilden zij ook de beschikking houden over eigen troepen. Dat wil zeggen eenheden met een KNIL-achtergrond, die afkomstig waren uit Oost-Indonesië. De regering van de RIS in Jakarta voelde niets voor dit laatste. Zij stuurde eenheden van het federale leger, de APRIS (Angkatan Perang Republik Indonesia Serikat), naar Oost-Indonesië. Jakarta hoopte met militaire dwang de eigenzinnige deelstaat in het gareel te krijgen en zo de NIT rijp te maken voor aansluiting bij de eenheidsstaat. Onder leiding van de Molukse leiders ir. Manusama en mr.dr. Soumokil werd op Ambon overlegd hoe men nu verder moest. Aanvankelijk speelden de Molukse leiders met het idee om Oost-Indonesië alsnog onafhankelijk te verklaren. Toen echter duidelijk werd dat hun deelstaat verloren was en binnenkort zou verdwijnen, besloten ze alleen de Zuid-Molukken onafhankelijk te verklaren.
 
  • Republik Maluku Selatan
Op 25 april 1950 werd de proclamatie van de Republik Maluku Selatan (RMS) op Ambon bekendgemaakt. Manuhutu werd president van de nieuwe republiek, Wairisal premier, Soumokil minister van Buitenlandse Zaken en Manusama minister van Onderwijs. De eerste dagen na de proclamatie verkeerden veel Molukkers op Ambon in een juichstemming: ze hadden hun eigen staat. Ze geloofden erop de steun te krijgen van Nederland en de Verenigde Naties. Maar dat gebeurde niet. De centrale regering van Indonesië noemde de RMS-proclamatie een afscheidingspoging en verzette zich. Met diplomatieke manoeuvres en economische druk tegen de RMS had Indonesië geen succes. Het Indonesische leger wachtte niet langer met militaire actie. In mei 1950 werd een aantal van de zuidelijke eilanden bezet. Vanaf juli voerde het aanvallen uit op de Midden-Molukken. Op 28 september werd het eiland Ambon zelf, kern van het RMS-gebied, aangevallen. Er werd hard gevochten en de verliezen waren hoog. Van Molukse kant werd verzet geboden, maar de overmacht was te groot. Het was begin december 1950, toen de RMS-regering moest uitwijken naar het eiland Seram. Ook de overgebleven troepen werden daar geconcentreerd. In de jungle van Seram werd de oorlog voortgezet. Het is een bittere guerrillastrijd geworden, die nog dertien jaar zou duren.
 
  • Plaats van Demobilisatie
Verreweg de meeste Molukse militairen behoorden tot het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Bij de soevereiniteitsoverdracht hadden Nederland en Indonesië afgesproken dat het KNIL op 26 juli 1950 zou worden opgeheven. De Molukse militairen konden kiezen óf gedemobiliseerd worden op een 'plaats naar keuze binnen Indonesië' óf de overstap maken naar de APRIS, het leger van de Verenigde Staten van Indonesie. Voor de meerderheid van de Molukse KNIL-militairen was overgang naar de voormalige vijand een moeilijke stap. Toch werd het idee niet direct afgewezen. Wel stelden de militairen een aantal voorwaarden. Zo wilden ze niet afzonderlijk, maar als eenheden overstappen naar de APRIS, en wel onder hun eigen officieren. Bovendien wilden zij in Oost-Indonesië gelegerd worden, zoals ook door Oost-Indonesische politici werd gewenst. De onderhandelingen over een overstap waren nog in volle gang, toen in april 1950 op Ambon de Republik Maluku Selatan (RMS) werd uitgeroepen. De meeste Molukse militairen kozen toen de kant van de RMS. Demonstraties in Jakarta en elders waren het gevolg. Zelfs kwam het in Makassar tot gewapend treffen tussen Molukse KNIL-soldaten en de APRIS. Met deze verscherping van de tegenstellingen was overstappen naar het Indonesische leger van de baan. De Molukse militairen wilden nu gedemobiliseerd worden.

In de regels van het KNIL stonden dat militairen bij hun demobilisatie zelf mochten kiezen waar zij ontslagen wilden worden. De Molukse militairen op Java en elders die medio 1950 gedemobiliseerd wilden worden, wezen onomwonden Ambon aan als plaats van demobilisatie. Niet alleen om zo 'thuis' te zijn, maar - na 25 april 1950 - ook om daar de RMS te gaan steunen. Reden genoeg voor Indonesië om de keuze voor Ambon als plaats van demobilisatie te blokkeren. Toen Ambon voor Indonesië onaanvaardbaar was, kozen de meeste militairen voor Nederlands Nieuw-Guinea. De omstandigheid dat dit gebied Nederlands bleef en aan de Molukken grensde, speelde daarbij een grote rol. Maar dat was voor Indonesië opnieuw een reden om tegen deze optie te zijn. Wel was de regering in Jakarta bereid de Molukkers naar Ambon te laten gaan toen dit eiland op de RMS veroverd was. Heel even leek het erop dat de Molukse militairen hierop in zouden gaan. Tenminste, als zij garanties zouden krijgen dat het Indonesische leger hen daar na hun demobilisatie met rust zou laten. Door tussenkomst van RMS-minister P. Lokollo, die via Australië inmiddels in Nederland terecht was gekomen, ging deze mogelijkheid echter weer van tafel. De Molukse militairen herhaalden hun verzoek om op Nieuw-Guinea gedemobiliseerd te worden. Indonesië én Nederland weigerden dat. Als gevolg hiervan liet de voorgenomen demobilisatie nog op zich wachten. Daarom werden de Molukse KNIL-militairen vlak voor de opheffing van het KNIL op 26 juli 1950 opgenomen in de Nederlandse Koninklijke Landmacht. Het was een noodoplossing, in afwachting van een definitieve demobilisatie. Door de 'KL-status' bleven de Molukse militairen onder de politieke verantwoordelijkheid van Nederland en onderworpen aan de Nederlandse krijgstucht.  
 
In de nasleep van de gevechten in Makassar gaven de  Nederlandse militaire autoriteiten het bevel dat alle Molukse militairen met hun gezinnen moesten worden overgebracht naar vijf grote doorgangskampen op Java: Jakarta, Semarang, Malang, Bandung-Tjimahi en Surabaya. Het ging op dat moment nog om bijna 4.000 militairen. In hun rapporten klaagden Nederlandse officieren dat het steeds moeilijker werd de tucht in de kampen te handhaven. De Molukse militairen voelden zich door Nederland in de steek gelaten en lieten dat ook duidelijk blijken. Begin december 1950 vond het Nederlandse kabinet dat niet langer gewacht kon worden met demobilisatie van de Molukse militairen. Vrees voor buitenlandse kritiek en voor verslechtering van de verhouding met Indonesië speelden hierbij een rol. Maar ook was het kabinet beducht voor kritiek in eigen land. Want zolang een oplossing uitbleef, moesten Nederlandse dienstplichtigen nog steeds dienst doen in Indonesië. Hun rol was om op te treden als buffer tussen de Molukse militairen en de hun vijandige Indonesische omgeving op Java. Het kabinet overwoog daarom om de Molukkers, in afwijking van de KNIL-regels, op Java te demobiliseren. Maar dit voornemen stuitte op weerstand. Sinds augustus 1950 bevond zich namelijk een delegatie van Molukse militairen in Nederland, onder leiding van sergeant-majoor Aponno. Zij was gekomen om de belangen van de achterban te behartigen. De delegatie-Aponno spande een kort geding aan tegen de Staat om gedwongen demobilisatie op Java te voorkomen. Met steun van advocaat Van Rijckevorsel werd dit proces tot in hoogste instantie gewonnen. De rechter verbood de Nederlandse regering om haar soldaten tegen hun zin achter te laten in het gebied van een hen vijandig gezind land. Daarmee was ook demobilisatie op Java van de baan.
 
  • Tijdelijk naar Nederland
Nadat demobilisatie op Java had verhinderd, werd de impasse nog groter. De Molukse militairen wilden naar een gebied dat onder controle stond van de RMS of naar Nederlands Nieuw-Guinea. Maar Indonesië stond geen van beide toe. En ontslag ter plekke was door het verbod van de Nederlandse rechter ook geen optie meer. Om uit de impasse te komen, besloot de Nederlandse regering om de Molukse militairen de mogelijkheid te bieden om tijdelijk in Nederland te verblijven. Dan konden de Nederlandse dienstplichtigen op Java eindelijk ook naar huis. De Molukse militairen in de doorgangskampen kregen het bevel te kiezen uit de volgende opties: overgang naar het Indonesische leger, vrijwillige demobilisatie op Java of tijdelijke overbrenging naar Nederland. Overgang naar het Indonesische leger hadden ze al eerder afgewezen. Net als demobilisatie op Java. Er was dan ook eigenlijk geen sprake van een werkelijke keuze. Om die reden weigerden de militairen in de kampen aanvankelijk om zich over de geboden mogelijkheden uit te spreken. Dat veranderde toen de Molukse delegatie in Nederland (delegatie-Aponno) op 16 februari 1951 liet weten dat met 'opzending' naar Nederland moest worden ingestemd. Voor veel Molukkers was dat aanleiding om voor Nederland te opteren. Toen dat besluit eenmaal gevallen was, werd haast gemaakt. Er was echter onvoldoende Nederlandse scheepsruimte beschikbaar. Daarom werden door de regering overal in de wereld schepen gecharterd om de Molukkers snel uit Indonesië weg te krijgen. Het eerste transport vertrok op 20 februari 1951 van Java. Op 21 juni 1951 arriveerde het laatste transport in Nederland. In een tijdsbestek van vier maanden werden zo ongeveer 12.500 Molukkers overgebracht naar Nederland.
 
  • Ontslag uit Militaire Dienst
Kort na aankomst kregen de militairen te horen dat zij 'gedemilitariseerd' waren - oftewel: ze waren ontslagen. Volgens groepen Molukse militairen kregen ze hun ontslagbericht soms al tijdens de reis uitgereikt. Het ontslag uit militaire dienst sloeg in als een bom. Wel hadden de Molukse militairen altijd geweten dat de status van militair bij de Koninklijke Landmacht hen slechts tijdelijk was toegekend. Maar zij waren er steeds van uitgegaan, dat ze pas op de plaats van hun keuze zouden worden gedemobiliseerd. En die plaats van keuze was in elk geval niet Nederland. Nu waren de Molukkers werkloos, in een vreemde omgeving en aan de andere kant van de wereld. De Molukse militairen voelden zich verraden door hun werkgever. Dit gevoel werd des te intenser ervaren, omdat zij vonden dat ze in de oorlog en tijdens de dekolonisatietijd hun leven voor Nederland hadden geriskeerd. De Molukse militairen legden zich niet zo maar neer bij hun ontslag uit militaire dienst. Ze gingen naar de rechter en in eerste instantie gaf de rechter hun gelijk: het Militair Ambtenarengerecht in Den Haag verklaarde het ontslag nietig. De Staat tekende beroep aan tegen deze uitspraak bij de Centrale Raad van Beroep. Op 4 maart 1952 verklaarde de Centrale Raad van Beroep dat het Ambtenarengerecht niet bevoegd was geweest om te oordelen inzake het ontslag van de Molukse ex-KNIL-militairen. De overweging van de Centrale Raad van Beroep luidde dat de Molukse militairen slechts tijdelijk ingedeeld waren geweest bij de Koninklijke Landmacht. Zij hadden daar geen formele (ambtelijke) aanstelling gehad en dus waren ze ook geen ambtenaar in de zin van de Militaire Ambtenarenwet 1931. Na de teleurstellende uitspraak is nog herhaaldelijk voorgesteld aan de regering om de Molukkers uit eigen beweging - zonder rechterlijk bevel - opnieuw in het leger op te nemen. In het kabinet bleef echter een telkens wisselende meerderheid tegen remilitarisering.
 
  • Huisvesting 
Ondertussen was er hard gewerkt om voldoende huisvesting voor hen te vinden. Als gevolg van de Tweede Wereldoorlog was er een grote woningnood. Gewone huizen waren voor de nieuwkomers dus niet beschikbaar. Maar de overheid wilde de Molukkers ook niet in gewone huizen onderbrengen. Ze wilde hen zoveel mogelijk bij elkaar houden, weg van de Nederlandse samenleving. Het was namelijk niet de bedoeling dat ze hier zouden integreren. Wel dat ze zo snel mogelijk terug zouden gaan naar Indonesië. Daarom werd een groot aantal complexen dat in gebruik was bij het Rijk vrijgemaakt en omgebouwd tot Molukse woonoorden. De diversiteit was groot: kazernes, opleidingsinstituten, gevangenissen en kampementen van de werkverschaffing. Er waren óók twee terreinen bij die door de Duitsers als concentratiekamp waren gebruikt: Kamp Vught (omgedoopt tot woonoord Lunetten) en Kamp Westerbork (omgedoopt tot woonoord Schattenberg). De woonoorden lagen over heel Nederland verspreid. Vanuit de aankomsthaven werden de militairen en hun gezinnen eerst in bussen vervoerd naar het demobilisatiecentrum Amersfoort om vervolgens naar de diverse woonoorden te worden getransporteerd. Direct na hun aankomst hadden de Molukkers vooral te maken met de Dienst Maatschappelijke Zorg (DMZ), een onderdeel van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze dienst was belast met de opvang van de Molukkers.
 
In 1952 ging de opvang van de Molukkers over naar een speciaal daarvoor opgerichte rijksdienst. Deze dienst heette het Commissariaat van Ambonezenzorg (CAZ). Het CAZ was de instantie die het Nederlandse beleid jegens de Molukkers vorm gaf. Door hun ontslag hadden de Molukkers geen eigen inkomsten meer en mochten aanvankelijk ook niet werken. Daarom kregen ze in de woonoorden zakgeld: drie gulden per week voor iedere volwassene en anderhalve gulden voor ieder kind. Het voedsel werd bereid in een centrale keuken. In de woonoorden werden door het CAZ kampraden ingesteld. In deze Molukse raden zaten meestal de hoogsten in (gewezen) militaire rang. De raden waren bedoeld als schakel tussen overheid en kampbewoners. Daarmee dacht de overheid haar maatregelen beter te kunnen uitvoeren en binnen de kampen ingang te laten vinden. Maar de kampraden ontwikkelden zich echter steeds meer als spreekbuis van de bewoners en als tegenspeler van de overheid. Ook gingen de raden fungeren als locale afdelingen van landelijke Molukse belangenorganisaties. In 1963 kwamen de eerste Molukkers vanuit onder andere Kamp Vught zich in de Driesprong in Breda vestigen. In 1967 verhuisden een tweede groep Molukse bewoners voornamelijk vanuit Winterswijk naar Breda. Dewan Wijk Maluku Breda was in 1964 opgericht. Zo begon de geschiedenis van het verblijf van Molukkers in Breda.


  • Documentaire Molukse Geschiedenis 

WijkraadNieuwsMededelingenActiviteitenAchtergrondenWijkontwikkelingOpinieFoto's